 |
 |
|
Faust 1939|
 |
|
Margando's Brutus
 |
|
Paris + 1920
|
|
|
 |
|
Adri van het Eigen Land 1939
|
 |
|
Herder
|
 |
|
Prins + 1948
|
 |
|
Djoeka + 1950
|
 |
|
Cora van het Eigen Land
|
 |
|
Trix
|
 |
|
Wolf + 1942
|
 |
|
Ricky
|
 |
|
Pietah van het Eigen Land |
| |
| |
|
Bijgaand een samenvatting. Voor het complete verhaal verwijs ik u graag naar de
website: Kennel "van
Oscarli"
De geschiedenis van de langharige Hollandse Herdershond
L.F. Triebels
Gepubliceerd in NHC clubbladen van 1979
Voor de langhaar ontbrak tot nu toe zowel een historisch overzicht als
ook een stamboombeschrijving. Het leek me daarom nuttig om deze
geschiedenis te schrijven, temeer omdat veel tegenwoordige bezitters en
fokkers van de langhaar de directe voorgeschiedenis van hun honden niet
persoonlijk meer hebben meegemaakt. Bij het schrijven van dit stuk
hebben zich een tweetal ernstige moeilijkheden voorgedaan.
Allereerst het feit dat de thans 96-jaige dr. W. v.d. Akker, die zo'n
beslissende rol heeft gespeeld bij de herbloei van de langhaar, zelf
niets meer heeft kunnen mededelen. De tweede moeilijkheid was de
afwezigheid van een archief van de Nederlandse Herdershonden Club.
Hoe ongelofelijk het ook lijkt voor zo'n oude rasvereniging, maar het
archief van de NHC is in de loop van de na-oorlogse jaren zoekgeraakt.
Teruggang
Het is haast onbegrijpelijk dat het ruime en goed fokmateriaal dat
in 1905 en misschien nog wel later aanwezig was, binnen tien tot
vijftien jaar zo gereduceerd was, dat de schaarse langharen (tenminste
op tentoonstellingen) nog slechts uit toevalsproducten bestonden.
Daarmee wordt dan bedoeld dat er af en toe een langhaar geboren werd uit
(voor zover bekend) kortharige ouders.
De toenmalige secretaris van de NHC, de heer J.W.F. Turion schreef
in het jaarboek "De Hond" van 1933: "Het thans aanwezige materiaal wat betreft de kort -en ruwharige
variëteiten is van dien aard, dat de indertijd geopperde mening dat het
ras dreigde uit te sterven niet steekhoudend meer is. Met de langharige
variëteit is het minder goed gesteld, als er niet ernstig wordt
ingegrepen zal deze spoedig tot het verleden behoren. Dat van de
langhaar wel bekoring uitgaat, moge blijken uit het feit dat H.M. onze
Koningin Moeder, een langharige Hollandse Herder heeft aangeschaft.
De Koningin Moeder was Koningin Emma, die in het jaar daarop overleed,
in 1934 dus. Helaas, hoe goed bedoeld ook, de woorden van dhr. Turion
waren wat betreft de langhaar veel te optimistisch én te idealistisch.
De aanschaf van de bedoelde langhaar (waar we later nog op terugkomen)
was waarschijnlijk helemaal geen persoonlijke keuze of voorkeur van
Koningin Emma en de hond is vermoedelijk nooit bij haar in huis geweest;
misschien heeft ze hem zelfs wel nooit gezien. De reden tot aanschaf van
de hond was heel prozaïsch, hij diende namelijk voor de bewaking en om
diezelfde prozaïsche reden is hij als afgerichte hond aan Haar verkocht.
De hond in kwestie was "Faust".
Faust was van onbekende afstamming.
Het dieptepunt
Na de beschouwing van dhr. Turion in het jaarboek van "De hond" van
1933, komt de positie van de langhaar nog eenmaal wat uitvoeriger ter
sprake in het jaarboek van 1934. Daarin schrijft dhr. A.M.A. Verhaar, de
fokker van het "toevalsproduct" Margando's Brutus, het volgende: "Van de
langharige Hollandse Herder valt helaas niet veel goeds te vertellen. Na
mijn laatste oproep om de fokkerij van deze zo mooie variëteit eens aan
te pakken, heb ik er niets meer van gehoord. Toen was het mij nog
mogelijk om goed fokmateriaal aan te wijzen. Dat is intussen weer veel
moeilijker geworden, maar ik geloof toch dat het nog niet te laat is.
Laten we hopen dat nog spoedig een kundig fokker deze moeilijke, maar
dankbare taak wil aanvaarden.
In zijn boek "Onze Honden", 2e druk van plm. 1938, noemt Toepoel
naast de kort -en ruwhaar ook de langhaar. Hij vermeldt met nadruk de
officiële raspunten voor alle drie variëteiten. Hij geeft dan voor de
langhaar naast gestroomd nog steeds het kastanjebruin als toegestane
kleur en wel bij voorkeur diepkastanjebruin. Voor de langhaar worden ook
nog afwijkende minimum maten aangegeven: voor teven 53 cm en voor de
reuen 55 cm.
Toepoel besluit zijn beschrijving van de Hollandse Herder met op te merken
dat de langharen die hij in zijn jeugd had gezien "allen zwart waren"!
In 1938 werd er niet meer geschreven of gesproken over de hond van
wijlen Koningin Emma. De langhaar bestond alleen nog op papier. Zonder
dat men iemand persoonlijk ook maar iets kan verwijten, moet men toch
vaststellen dat na 40 jaar NHC men er niet in geslaagd was de langhaar
te redden. Ja, men aanvaardde heel laconiek dat de langhaar was
uitgestorven. Het absolute dieptepunt was bereikt
Plannen tot herleving van de langharige Hollandse Herder
In juni 1937 kreeg ik ter gelegenheid van mijn 16e verjaardag een
jonge, kortharige Hollandse Herder. Dat het een Hollandse Herder was,
berustte louter op toeval.
In de kerstvakantie van 1937, ik zat toen nog op de middelbare school,
kreeg ik van een kennis het reeds eerder genoemde jaarboek of
kerstnummer van het tijdschrift "De Hond" te leen, waarin de foto stond
van Paris. Vele malen heb ik in die vakantie gefascineerd daarnaar
zitten kijken. Mijn besluit stond vast: dit was de hond die ik wilde
hebben, een langhaar!
Eerst schreef ik de heer Turion als secretaris van de NHC. Het wilde
er bij mij niet in dat een eigen rasvereniging als de NHC zomaar
lijdelijk de ondergang van de langhaar accepteerde. De heer Verhaar, die
Margando's Brutus nog betrekkelijk kort daarvoor had gehad, móest toch
iets weten te vinden.
Verhaar, ook niet wetende dat hij te maken had met een jongen van 16
jaar, schreef mij dat hij slechts kon aanbevelen door terugkruising van
kortharen de langhaar terug te krijgen.
In de loop van 1938 maakte de heer Turion mij attent op Dr. W. v.d.
Akker te Zeist, die ook zo geïnteresseerd was in de langharige Hollandse
Herder en eveneens daarnaar op zoek was. Na enige briefwisseling heeft
Dr. v.d. Akker me eind 1938 uitgenodigd eens naar Zeist te komen. Ik
herinner me nog zijn verbazing toen hij me daar voor zijn voordeur zag
staan als 17-jarige! Hij was toen zelf bijna 40 jaar ouder dan ik! Van
meet af aan konden wij goed met elkaar opschieten en we hadden allebei
hetzelfde doel voor ogen: de langhaar terugvinden en fokken.
Dr. v.d. Akker was in 1881 geboren en reeds voor de eerste
wereldoorlog als gouvernementsdierenarts naar het toenmalige
Nederlands-Indië gegaan. Aan het begin van de dertiger jaren keerde hij
met zijn vrouw, zoon en dochter naar Nederland terug en vestigde zich te
Zeist.
In 1936 was Dr. v.d. Akker lid geworden van de NHC, waarvan Ir. J.
Voskens toen penningmeester was. De heer Voskens fokte al enige tijd
uitstekende ruwharen, waarvan Dr. v.d. Akker er dus één bezat. Ir.
Voskens was als jong afgestudeerd landbouwkundig ingenieur van
Wageningen, met specialisatie bodemkunde, verbonden aan de
ontginningsmaatschappij "GrontMij". Voor zijn werkzaamheden doorkruiste
hij zowat heel Brabant, speciaal het midden en het oostelijk gedeelte.
Daar zag hij nog Hollandse Herdershonden aan het werk bij de
schaapskudden op de heide en als waakhonden.
En dát was nu wat Dr. v.d. Akker zocht: langharen zó van het Brabantse
platteland, werkhonden van een "landslag", nog onberoerd door
tentoonstellingen, modetrends of inkruising met Duitse herders vanwege
hoogte of scherpte.
Ir. Voskens komt de nauwelijks te schatten verdienste toe, dat hij
binnen drie jaar Dr. v.d. Akker drie langharen kon aanwijzen of leveren,
die rechtstreeks van het Brabantse platteland kwamen, hetzij als hond
van de kudde, hetzij als waakhond.
Een nieuw begin en tegenslagen: Faust - Adrie van het Eigen Land
en Herder
De eerste langhaar (teef) kwam uit Loon-op-Zand en was van onbekende
afstamming. Dat was midden 1939. De hond was vrij klein, al niet meer zo
jong, donker goud -gestroomd met doorgaande stroming op de snuit, dus
zonder masker. Dr. v.d. Akker had inmiddels een eigen kennelnaam
bedacht: "van het Eigen Land" en zoals dhr. P. Drost vroeger ook had
gedaan, registreerde Dr. v.d. Akker zijn nieuwe aanwinst onder
zijn kennelnaam als " Adri van het Eigen Land".
Zij werd de stammoeder van alle tegenwoordige, officieel
ingeschreven langharen. Adri van het Eigen Land werd medio augustus 1939
gedekt door de al bijna vergeten en welhaast legendarische hond van
Koningin Emma. Deze hond, Faust was toen al minstens 7 à 8 jaar
oud.
Begin december kon ik een hondje komen halen, maar veel te kiezen was er
niet; aangezien ik persé een teefje wilde hebben om er later mee te
fokken, wees Dr. v.d. Akker mij een lichtgrijs gekleurde pup aan met een
zwart masker.
Hij wilde mij geen gestroomde pup geven, misschien omdat ik te jong was?
Pas maanden later bood hij me uit hetzelfde nest een prachtige
kastanjebruin gestroomde teef aan, die toen kennelijk tijdelijk bij hem
logeerde in afwachting van een ander tehuis.
Ik was toen echter al veel teveel aan mijn eigen hond gehecht geraakt,
om haar nog te willen ruilen.
Mijn eigen hond, "Herder", was inmiddels na het verwisselen van
de nestharen geel - lichtbruin geworden met een zwart masker.
Het eerste oorlogsjaar 1940 bracht de zojuist begonnen fokkerij van de
langhaar viermaal een slag toe: de stamvader "Faust" was bij de
oorlogshandelingen op 10 mei omgekomen. Een hond die jarenlang bij de
kudde had gewerkt en bij Ir. Voskens in Tilburg was ondergebracht (hij
had de hond ook opgespoord) was weggelopen. Hetzelfde gebeurde met een
andere hond die ook bij een kudde had gewerkt. De reeds eerder genoemde
kastanjebruin gestroomde teef uit het nest van Dr. v.d. Akker was kort
daarna door een verkeersongeval om het leven gekomen.
Herder zou de tweede generatie voortbrengen en de gehele variëteit hing
aan een zijden draad.
Verdere opbouw: Blida - Prins II en Djoeka - Cora van het Eigen
Land
In de nazomer van 1940 werd zo het tweede nest langharige Hollandse
Herders geboren uit Herder en een verder onbekend gebleven hond. Na
enige tijd heeft Dr. v.d. Akker mij opgezocht en alle honden die
gestroomd waren meegenomen en geplaatst. Over geld werd niet gesproken;
het speelde nóch bij hem, nóch bij mij een rol, daar ging het immers ook
helemaal niet om. Het idee van verdienen aan een nest was ons toen zo
vreemd, dat het niet eens in onze gedachten opkwam, het ging immers om
een bijna onmogelijk geachte onderneming: het doen herleven van de als
uitgestorven gewaande langhaar!
Maar nu weer terug naar het eerste nest van Herder, het volgende
nest langharen na Adri. Eén van de honden die Dr. v.d. Akker had
meegenomen, was Blida en heeft minstens drie keer een nest
gehad. In de NHC catalogus op 15 mei 1951 te Utrecht wordt genoemd als
nr. 41 "Prins", eigenaar F. Koele te Zeist. Moeder van Prins is Blida.
Wie de vader was, wordt helaas niet vermeld. Dit was dus Prins II.
Met hem is wel gefokt en daarmee is de lijn Faust - Adri - Herder -
Blida voortgezet en van belangrijke invloed geweest bij de opbouw van de
variëteit zoals verderop zal blijken. Prins II vertoonde ook al het meer
moderne type.
Op ongeveer éénjarige leeftijd dekte Prins II zijn moeder Blida. Eind
1948 werd een nest geboren, waarvan een teefje, "Djoeka" . Djoeka werd
in december 1949 gedekt door Prins II.
Op 4 februari 1950 werd het nest van Djoeka met Prins II geboren. Ook nu
zorgde Dr. v.d. Akker voor een aantal verkoopadressen voor de jonge
honden. Eén daarvan heeft opnieuw een belangrijke rol gespeeld in de
voortzetting van de langhaar variëteit, n.l. Cora van het Eigen Land.
In de lijn Faust met Adri van het Eigen Land- Herder- Blida -Djoeka,
was Cora van het Eigen Land de eerste die een registratienummer kreeg (reg.
nr. 23164). Op 4-6-1953 kreeg Cora een nest in combinatie met Barry van
het Eigen land. In dit nest worden geboren: Tjik (reu), Trix
(teef) en Topsie (teef).
Na het eerste nest van Cora van het Eigen Land neemt de fokkerij van de
langharen gestaag toe.
De stambomen vanaf die tijd lopen regelmatig en de honden hebben
registratienummers en vanaf 1949 worden ze ook geleidelijk opgenomen in
de Bijlagen van de N.H.S.B., als Dr. v.d. Akker ze daarvoor goed genoeg
vond.
De lijn Wolf - Ricky - Barry en Pietah van het Eigen Land
In 1941 kocht Dr. v.d. Akker op mijn aanwijzing in Nijmegen een
forse, prachtig effen kastanjebruine reu, "Wolf". Deze hond
diende als trekhond onder een bakkerskar. Wolf was al wat ouder en
werkelijk diep kastanjebruin op zijn lichaam, alleen zijn poten waren
geel- lichtbruin.
Volgens (schaarse) oude aantekeningen, zo schreef mij op 13 november
1976 mevr. B. Geverding-Turion, toentertijd secretaresse van de NHC, zou
er mogelijk een combinatie geweest zijn van Wolf met Rik (ook wel Rick
of Ricky genoemd). Waar deze Ricky vandaan komt valt moeilijk te
achterhalen. Ze was al vrij oud toen zij na de oorlog bij Dr. v.d. Akker
in huis kwam.
Vermoedelijk heeft Ricky nog meer nesten gehad, we vinden in
de oude aantekeningen terug: Bart met Ricky, Herman met Ricky en Peter
met Ricky.
Op 21-3-1949 worden uit de combinatie van Ricky met Simon Pieter van
het Eigen Land, twee zeer bekende en voor de opbouw van de variëteit ook
belangrijke honden geboren: Barry en Pietah van het Eigen Land.
De lijn Wolf-Ricky, Bart-Ricky, Herman-Ricky, Simon Pieter-Ricky
kwam door de dekking van Cora van het Eigen Land door Barry van het
Eigen Land samen met de lijn Adri-Blida-Djoeka-Cora, dat was in 1953.
De fokmethode
Dr. v.d. Akker heeft, mede gedwongen door het aanvankelijk zeer
kleine aantal honden, heel duidelijk gekozen voor de combinaties
vader-dochter en zoon-moeder. Na 15 jaar en ongeveer 5 generaties is het
hem gelukt een vrijwel verervende variëteit te krijgen in de
afstammelingen van Trix, Topsie en Tjik. Bij deze honden is men
overgegaan op combinaties van zowel vader en dochter, moeder en zoon,
broer en zus.
Na ongeveer 1950 wordt het aantal langharen steeds groter en volgens een
brochure van de NHC van omstreeks 1955-1957 waren er toen ongeveer 30
langharen in het N.H.S.B. opgenomen, d.w.z. dat Dr. v.d. Akker hen goed
genoeg achtte om te worden geregistreerd. Na samenvoeging van de beide
lijnen Faust - Adri - Herder enz. en Wolf - Ricky - Barry en Pietah,
waren alle langharen aan elkaar verwant.
Het valt te betreuren dat men in de jaren na de oorlog niet is
doorgegaan met het zoeken naar vers bloed door honden uit Brabant of van
elders te halen. Is er niet meer gezocht of is er niets meer gevonden?
Er waren overigens in de jaren 1939-1945 verschillende andere langharen
bij Dr. v.d. Akker en mij bekend. Maar men wilde dán weer niet fokken,
óf ze niet verkopen, maar ze waren er wél.
Een derde poging
We hebben gezien dat het ruime fokmateriaal dat in het begin van
1900 aanwezig was o.a. in de kennels "van Haarlem" en "Medo" op niets is
uitgelopen. Dat was de éérste aanzet tot het fokken van de langhaar.
Dankzij de inspanningen van Dr. v.d. Akker en van latere fokkers onder
zijn aanvankelijke leiding, lukte het de tweede keer wél. Een derde
poging werd ondernomen door de heren Aarts en v.d. Kundert te
Tilburg-Udenhout in 1945. Het zuiden van Nederland was toen al enige
tijd bevrijd en op 12-3-1945 werd er een nest langharen geboren uit Duc
en molly, twee honden van onbekende afstamming en die niet verwant waren
aan de honden van Dr. v.d. Akker.
Verbreding van de fokbasis 22 februari 1966
Er werd geconstateerd dat de fokbasis van deze variëteit te smal is
geworden. Het werd noodzakelijk geacht dat nieuw bloed in te brengen.
Daar het echter niet mogelijk blijkt nog verwante langhaar exemplaren te
verkrijgen uit de gebieden waar deze variëteit oorspronkelijk vandaan
kwam, moest er naar een andere oplossing worden gezocht. Algemeen was
men van mening, dat het inbrengen van bloed van een der andere
variëteiten van de Hollandse Herder, een voor de hand liggende
mogelijkheid biedt. Speciaal had men hierbij op het oog de korthaar,
waarvan nog voldoende goed bruikbaar materiaal voor dit doel aanwezig is
. . ." In een brief van 10 juni 1966 wordt door de Raad van Beheer
goedkeuring verleent onder bepaalde administratieve voorwaarden.
In een brief van 30-3-1974 van de Raad van Beheer aan het
secretariaat van de NHC werd nog eenmaal toestemming verleend tot het
toepassen van een inkruising van een korthaar met een langhaar.
Nabeschouwing
In 1979 vierden wij het 40-jarig jubileum van de wederopbouw van de
langhaar. Aan Dr. v.d. Akker komt de grote verdienste toe hiervoor de
grondslag te hebben gelegd, ondanks alle tegenslagen. Velen hebben zijn
werk voortgezet en uitgebreid.
Dr. v.d. Akker vond dat de langhaar moest beantwoorden aan specifieke
karaktereigenschappen: rustig, vol zelfvertrouwen, sober, trouw en
intelligent.
In 1998 zijn er naar schatting circa 1000 langharen. Hiervan is
ongeveer 60% langharen uit de oude stam, 30% uit inkruising met
Tervuerenaar en 10% uit inkruising met de korthaar. Er is een aantal
langharen succesvol in de hondensport. Bijzonder noemenswaardig is het
dat Kampioen Doerack als een van de eerste langharen in het bezit kwam
van een IPO-dipolma en zelfs IPO II! (Doerack is de vader van
Boy)
Vanaf begin jaren tachtig groeit de belangstelling voor de Hollandse
herder in het buitenland. Doordat enkele fokkers regelmatig in het
buitenland gingen exposeren, kwam de export op gang. Op dit moment zijn
er Hollandse herders in onder andere Denemarken, Duitsland, Finland,
Hongarije, Noorwegen, Zweden en Zwitserland.
|